joshua reddekopp qLFJKFBppPM unsplash

Over mijn kinderwens – Rosa

Mijn naam is Rosa, 27 jaar en opgegroeid met een moeder met een borderline-persoonlijkheidsstoornis en een afwezige vader. Mijn moeder was geestelijk erg ziek en mijn ouders waren eigenlijk beiden niet beschikbaar gedurende mijn hele leven. Een voorbeeld van ouderschap heb ik dan ook niet gehad. Inmiddels zit ik in een fase van mijn leven waarin het krijgen van kinderen een thema is. Mijn kinderwens is over de jaren heen van vorm en intensiteit veranderd en in deze blog wil ik met jullie delen welke moeilijkheden ik hierbij ervaar.

Op vrije jonge leeftijd voelde ik al een sterke kinderwens. Ik weet nog goed dat ik hier in mijn puberteit al mee bezig was en voelde dat ik ook graag jong moeder zou willen worden. Op mijn zestiende kocht ik een baby vestje, omdat ik die zo schattig vond en het dan ook alvast wilde hebben voor een toekomstig kindje.

De reden voor deze sterke kinderwens kan ik me eigenlijk niet zo goed voor de geest halen: ik wilde gewoon jong moeder worden. Mijn huidige partner en ik hebben elkaar leren kennen toen ik 17 was, dus de mogelijkheid was er ook al vrij jong en dit gaf soms wel spanning tussen ons: hij wilde wachten, ik wilde dat niet. Ik was er wel erg onzeker en dacht vaak na over wanneer ik dan kinderen kon krijgen: gewoon maar zien hoe het leven loopt was voor mij geen optie.

Door studie en het feit dat mijn partner nog geen kinderen wilde, was de mogelijkheid er lang niet. Toen ik begin 20 was, begon ik me steeds meer af te vragen waarom ik nou eigenlijk zo graag een kindje wilde en of ik dat eigenlijk wel mocht? Ik begon erg kritisch te worden naar mezelf over wat voor moeder ik dan zou zijn en of ik het wel goed genoeg zou kunnen. Ik begon me steeds bewuster te worden van de angst die ik voelde om zoals mijn eigen moeder te worden. Wat eigenlijk best ingewikkeld was, want de wens was ook erg sterk. Ik kon mezelf soms helemaal vast denken… enerzijds heel graag willen maar ook doodsbang zijn om mijn kindje te gaan schaden zoals ik zelf geschaad ben.

Als ik daar nu op terugkijk, was ik enerzijds voor een deel op zoek naar liefde en had ik de droom dat ik dat in een baby ging vinden. Anderzijds zag ik een baby ook als iets wat ik kon verzorgen. Inmiddels werk ik in de hulpverlening en heb ik over mezelf geleerd dat voor een ander zorgen of iets voor een ander betekenen mij een gevoel van eigenwaarde geeft. Ik kan het ook goed, want ik heb al jong geleerd om voor andermans gevoelens en behoeftes te zorgen. Zorgen voor een ander geeft me ook minder ongemak dan zorgen voor mezelf. Een baby is natuurlijk de ultieme bron van zorg voor een ander.

Over de laatste jaren is de sterke wens voor een baby steeds meer afgenomen. Een combinatie van therapie, zelfinzicht en angst heeft het voor mij steeds meer doen afnemen. Ik heb in therapie mijn kinderwens wat meer kunnen onderzoeken en daardoor ook geleerd waar de sterke drang in mijn jongere jaren vandaan kwam. Die drang is daardoor ook afgenomen, omdat ik me steeds bewuster ben geworden van de liefde die ik heb gemist en dat een baby dat niet gaat opvullen. Dat gat wat ik voel is nog steeds niet opgevuld, maar ik voel niet meer dat een baby dat wel voor me gaat doen.

Ik besef me ook dat ik vooral bezig was met wat een baby zou voelen en willen, en niet zo zeer wat ik nou eigenlijk wil. Toen ik mezelf die vraag ben gaan stellen, merkte ik dat ik ook wensen heb in het leven die zonder kind toch wat makkelijker gaan, Bijvoorbeeld werkervaring opdoen als psycholoog. Dat kan uiteraard ook tegelijk, maar ik heb mijn handen nog vol aan de onzekerheden die gepaard gaan met überhaupt werken als KOPP’er en niet te vergeten: mijn eigen verleden, emoties en trauma’s waar ik nog steeds mee worstel. Ik begin mentaal steeds meer te leren en beter in mijn vel te zitten en ik merk dat ik daar eigenlijk ook gewoon eens op wil gaan teren, zonder extra, geestelijke uitdagingen die een kind waarschijnlijk zal brengen.

Nu ik wat meer in de remstand ben komen te zitten, begint de angst die ik voel wel concreter te worden. De angst gaat vooral over: ‘wat als ik mijn kind net zo ga beschadigen als dat ik ben beschadigd’ en ‘wat als ik net zo worstel met mijn mentale gezondheid als mijn moeder deed, waardoor ook ik als moeder niet beschikbaar ben’. Ik praat hier veel over met mijn partner, vrienden of mijn therapeut, maar het blijft een sterk gevoel.

Een onderwerp wat ik ook nog wil belichten, los van de onzekerheden überhaupt, is de rol die mijn psychisch zieke moeder wel of niet zou spelen. Op het moment dat ik dit schrijf heb ik al een aantal jaar zo goed als geen contact met haar. Ik vind het verdrietig dat zij mijn kind niet zal zien en ik kan me daar ook schuldig over voelen. Ik had het ook allemaal zo graag anders gezien. Maar dat is het helaas niet en in de situatie hoe die is, kan mijn moeder geen deel uitmaken van mijn leven.

Het geeft ook angst, want hoe ga ik mijn kind tegen haar beschermen? Kan ik haar volledig vermijden? Wat gaat ze doen als ze hoort van het bestaan van een kind? Allemaal vragen waar ik lang over kan piekeren. Het zijn ook vragen waar ik nog geen antwoord op heb en hoe mijn moeder zal reageren, daar heb ik geen invloed op. Ik vertrouw erop dat ik, door te leren om mezelf te beschermen, dit ook voor mijn kind kan doen en samen met mijn partner beslissingen zal maken die goed voelen.

Ik zou liegen als ik zou schrijven dat ik er helemaal uit ben en de twijfels en angsten niet meer voel. Ik weet ook niet of dit volledig weg zal gaan voordat we aan kinderen beginnen. Wel werk ik hard aan het helen van de pijn van vroeger en kan ik steeds beter met de angsten omgaan. Ik vind het ook nog steeds lastig om te verdragen dat ik voor nu zal moeten afwachten hoe het leven loopt, maar dit lukt steeds beter. Ik heb ook meer vertrouwen in mijn eigen kunnen gekregen en ik kan er goed over praten met mijn partner.

Ik weet ook dat er mogelijkheden zijn waarbij ik het niet allemaal alleen hoef te doen. Ik ben van plan om een afspraak te maken bij de POP-poli (een poli voor zwangere vrouwen met psychische problemen of een psychische kwetsbaarheid) als ik besluit voor een kindje te gaan. Ik heb een partner die uit een fijner gezin komt en daarin ook een tegenhanger kan zijn in het ouderschap.

Scroll naar boven